Locatie

Het kartuizerklooster Heilige Maria Magdalena-onder-het-kruis ligt in het zuidwesten van Leuven, dicht bij de stadsring. Het Mariapark, dat je vandaag nog kan bezoeken, ligt binnen de grenzen van het vroegere klooster. Het wordt omringd door de Bankstraat, de Heilige-Geeststraat en de Tervuursevest. Het adres van het klooster is Bankstaat 75, maar je kan het ook bereiken via de Tervuursevest. De Sint-Franciscusweg verbindt beide straten met elkaar. Vanaf omstreeks 1920 tot aan het einde van de twintigste eeuw werd het klooster bewoond door kapucijnen, maar gedurende de eeuwen daarvoor was het altijd in handen van de kartuizerorde. Deze orde werd in 1084 gesticht door de heilige Bruno van Keulen. Het is een strenge contemplatieve gemeenschap waarin het kluizenaarsbestaan wordt gecombineerd met een beperkt gemeenschapsleven. Tot op vandaag wordt het beschouwd als de strengste orde binnen de Katholieke Kerk. De monniken leven immers wel in hun eigen gemeenschap, maar brengen het overgrote deel van hun tijd in de eenzaamheid van hun cel door. Daar In de Lage Landen bestaan geen kartuizergemeenschappen, maar verspreid over de rest van Europa zijn er nog 22 kloosters, samen goed voor ongeveer zeshonderd leden.

GESCHIEDENIS VAN HET KARTUIZERKLOOSTER

Vijftiende en zestiende eeuw

Om de ontstaansgeschiedenis van het kartuizerklooster (ook wel de Chartreuse van Leuven genoemd) uit de doeken te doen, moeten we meer dan vijfhonderd jaar teruggaan in de tijd. Eind vijftiende eeuw kocht Walter van Waterleet (ofwel Woutier Wetelet) voor 1100 florijnen het domein en het boerderijtje dat er bij hoorde. Omwille van zijn eigen religieuze achtergrond als kapelaan van Karel de Kale en kanunnik van Sint-Pieter in Leuven zou hij het domein drie jaar later aan de orde der kartuizers schenken. Het rustige terrein verzekerde hen van eenzaamheid en de stilte waarop ze zo gesteld waren. Als patroonheilige koos men voor Maria Magdalena. Zij wordt geassocieerd met een kruik en kruiden, die op het zegel van het klooster terug te vinden zijn. Het Leuvense klooster was in die periode omwille van twee redenen uniek: niet alleen ging het om het laatste van de in totaal twintig kartuizerkloosters in de Nederlanden, het was tevens het enige dat binnen de stadsmuren werd gebouwd.

De bouw van het klooster was mede te danken aan Margaretha van York (1446-1503), de weduwe van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Na haar dood zouden haar hart en ingewanden aan twee andere kartuizerkloosters worden geschonken; de Leuvense afdeling was toen nog niet klaar en zou zelfs tot in de late jaren 1530 een bouwwerf blijven. In 1492 werd het klooster betrokken en een nieuwe congregatie gevormd. De eerste delen ervan werden gefinancierd met giften en iedere cel kreeg de naam van de weldoener die ervoor betaalde. Het eerste nieuwe kloosterpand kwam er begin 1500; het tweede en grotere deel later die eeuw. Tussen beide gebouwen werden de kerk, de priorij, de eetzaal en de bibliotheek opgetrokken. Ook een zuid- en oostvleugel werden bijgebouwd. Op haar hoogtepunt leefden er in de kerk zo’n dertig geestelijken en hun personeel. Anders dan in andere kartuizerkloosters gebeurde dat in een vrij open sfeer: de monniken waren in 1517 betrokken bij de oprichting van het Collegium Trilingue en zorgden zo mee voor de verspreiding van het humanisme binnen de Leuvense universiteit.

In 1521 werd het klooster daarom aan de universiteit verbonden. In diezelfde periode kregen een aantal kamers kostbare glas-in-loodramen. Dat het financieel niet slecht ging met de kartuizers, hoeft dus niet te verbazen. Opvallend is wel dat het er vanaf 1511, toen het klooster dertien monniken telde, moreel gezien minder strikt aan toe ging: uit visitatieverslagen uit die periode blijkt dat ongehoorzaamheid en inbreuk op de kloosterregels regelmatig voorkwamen en dat er sprake was van een verburgerlijking van de zeden. De rapporten bestempelden het klooster tot 1542 als ‘seculier, ontaard en ongehoorzaam’, wellicht mede omwille van het feit dat sommige kartuizers meer tijd doorbrachten aan de universiteit dan in de stilte van hun cel.

Zeventiende en achttiende eeuw

Begin zeventiende eeuw verbeterde de situatie: de aankoop van nieuwe gronden leidde tot een heropleving van het klooster. Na enkele decennia zouden echter nieuwe problemen opduiken. In 1746, ten tijde van de Oostenrijkse Successieoorlog, namen Franse troepen Leuven in en bouwden zij de kartuizerij tijdelijk om tot kazerne. In de tuin werden broodovens gebouwd om het leger te voeden. Zo’n tien jaar later kwam het klooster nog eens in geldproblemen, toen keizerin Maria Theresia besliste dat giften aan kloosters moesten worden ingeperkt. Aangezien de kartuizers al tweehonderd jaar van giften leefden, moesten ze delen van hun gebouw platgooien om het hoofd boven water te houden. In 1614 was reeds iets gelijkaardigs gebeurd: omdat de kartuizers toen in geldnood leefden ten gevolge van een brand, konden ze niet anders dan soldaten te huisvesten onder hun dak.

Drie eeuwen lang was het klooster de meest religieuze plaats in de stad geweest en hadden voorbijgangers midden in de nacht gedempte Gregoriaanse preken kunnen opvangen. Vanaf 1783 erkende keizer Jozef II de kartuizers echter niet meer, waardoor de meest kostbare huisraad (bestaande uit meubilair en kunstwerken) werd geplunderd of naar Oostenrijk werd gestuurd. Een deel werd ook verkocht aan de Abdij van ’t Park. Het klooster deed toen reeds dienst als een kazerne en depot van Oostenrijkse en Franse troepen. Omwille van het teruggelopen aantal monniken werden een aantal vleugels gesloopt. Als gevolg hiervan verdwenen ook alle glasramen: sommige werden verwoest, andere openbaar verkocht aan verschillende Britse verzamelaars. Vandaag bevinden een aantal van die ramen zich in Europese en Amerikaanse musea. In april van 1783 verliet de laatste monnik het klooster, en veranderde het in een munitiedepot.

Negentiende en twintigste eeuw

De negentiende-eeuwse geschiedenis van het klooster is erg somber. Het verval was aan het einde van de achttiende eeuw reeds begonnen. Tijdens de Franse periode werd er buskruit opgeslagen, en dat bleef niet zonder gevolgen. Niet voor het eerst leed het klooster toen onder de ontploffingen van verzamelde munitie. Rond de eeuwwisseling werden delen ervan openbaar verkocht aan particulieren, of werd wat nog recht stond, verder vernield. De vrijgekomen gronden, rijk aan klei, leenden zich voor de productie van aardewerk en bleven gedurende de hele negentiende eeuw in handen van omwonende boeren. In 1806 werd wat er nog restte van de kerk door een beslissing van Guillaume Leunckens, Leuvens brouwer en toenmalige eigenaar van het klooster, met de grond gelijk gemaakt.

Vanaf 1912 begon kanunnik en professor Thiéry (1868-1955), verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, het klooster te restaureren. Hierbij nam hij architecten onder de arm die tot opdracht hadden het gotische karakter ervan te beschermen en in ere te herstellen. Het gigantische kapitaal dat zijn familie had opgebouwd via de internationale kledijhandel, werd door hem besteed aan kunstwerken om het klooster te verfraaien. Vijf jaar na het opstarten van de werken verkocht hij het gebouw aan de kapucijnen van Leuven. Vanaf 1921 werd de kartuizerij opnieuw bewoond. De huidige eigenaar is de KU Leuven zelf. Sporadisch organiseert zij er repetities van het Leuvens Universitair Koor, of worden er religieuze vieringen gehouden. Vanaf 2004 staat het klooster leeg en sinds 2006 werd er opnieuw gestart met belangrijke renovaties.

 

 

 

 

 

Bibliografie

Kartuizerij van Terbank, Inventaris Onroerend Erfgoed, 2017 (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/42138).

ENGELS, R., The Former Carthusian Monastery in Leuven: Architectural, Archaeological and Historical Research, Onuitgegeven Masterproef, Leuven, 1999.

VAN GENNIP, J., Controversen in Context. Een Comparatief Onderzoek naar de Nederlandstalige Controversepublicaties van de Jezuïeten in de zeventiende-eeuwse Republiek, Hilversum, 2014.

Maria-Magdalena-onder-het-Kruis (ca 1489/91- 1783), Cartusiana.org, 2018 (http://www.cartusiana.org/node/51).